Het was hedenvandage een schone zomerse dag. Het begon mooi en eindigde mooi. Hele volksstammen trokken er op uit, naar de zeezij, het strand of de groene dijken. Ik moest van oost naar west door Zeeuws- Vlaanderen en reed grotendeels vanuit Klooster onder de dijk door westwaarts. Oppassen voor kohorten fietsers, Belgische toerders en bejaarden electrofanaten, overstekend wild (konijnen en fazanten op de vlucht voor combines en meer) een oogstende boeren. Vooral die laatste groep kostte mij bijkans het leven. Tot twee keer toe kwam er een tractor met voorop van de meterslange pinnen van een erf geraced om zonder enige aarzeling de weg op te schieten. Twee keer moest ik vol in de remmen om het spiesen der Golf te ontwijken.
En dat moet je weten dat die enorme pinnen, waar ze bijvoorbeeld hooibalen mee op de wagen tillen, niet zomaar rechtuit mogen steken op de weg, ze moeten omhoog staan of worden gedemonteerd. Maar nee hoor…recht vooruit als hoorns op een wilde Spaanse stier. Tijdens de rit, dat uurtje, viel het me op hoeveel landbouwvoertuigen er op de Zeeuws-Vlaamse wegen rondreden en hoeveel er mankementen vertoonden, kapotte lichten, slechte banden, stinkende motoren, ontbrekende spiegels en wat al niet meer.
Dan wil ik het nog niet over het rijgedrag hebben, want tegenwoordig moet je er niet verbaasd van staan dat nota bene een tractor op die 60 kilometerwegen van Poppelaars (duurzaam veilige) waterschap een auto inhaalt. Het gebeurt gewoon.
Was ik verkeersagent geweest dan had ik aan de boerenstand (de goeie niet te na gesproken) vandaag kapitalen kunnen verdienen, maar nee, de boeren moeten oogsten, die laten we met rust is bij de politionele diensten het credo.
En wat doen we dus, we zetten een flitsapparaat onder de zeedijk (verdekt en onder een zeiltje) om de Vlaamse en Zeeuws-Vlaamse dagtoeristen die lekker een dagje op de zeedijk willen gaan luieren een paar tientjes uit de zak te kloppen.


