Mijn Vlissingen…

logoVlissingen. Van alle Zeeuwse steden heeft Vlissingen bij mij altijd een streepje voor gehad. Vlissingen stond ergens voor, stelde wat voor. Toen ik als kind met pa en of ma de overtocht vanuit het zuiden naar de grootstad mocht maken, dan had de aankomst met de pont al allure. Je kwam ergens aan. Vanaf de boot kon je het station zien liggen, een kopstation en dat betekende wat, want – zo wist pa “echte steden hebben kopstations, want daar begint en stopt de treinlijn, die gaat niet verder” -, Vlissingen had een kopstation en was dus een stad. Toog je vanaf het station richting centrum, dn kwam je langs de dokhavens, waar marineschepen lagen.

Ja, Vlissingen was een marinehaven en ten tijde van de Nieuw Guinea-crisis – onze laatste oorlog – mochten we bij de marine daar als familie radio-contact leggen met onze uitgezondenen. Ik heb ome Adri nog gevraagd om een aapje mee te brengen, omdat we ervan uitgingen dat hij in de tropen zat, wat niet het geval bleek te zijn, hij hield zich op in Nome in Alaska, waar de mariniers door de Amerikanen letterlijk waren kaltgestellt. Joseph Luns dacht daar nog wat aan te kunnen veranderen, maar nee, onze laatste oorlog liep met een eisers af en ik hield er een Eskimo-popje in zeehondenbont aan over in plaats van een aap. Maar daar echter die microfoon Ome Adri van de andere kant van de wereld te horen, dat was toch wel bijzonder en dat kon alleen in Vlissingen.
Ik herinner me nog goed dat Vlissingen al hoogbouw had nog voordat de eerste etagewoningen in Terneuzen gebouwd moesten worden. Nou, dan was Vlissingen dus echt wel een stad. En er waren scholen voor de zeevaart en voor de techniek, er waren veel winkels en café’s en er was de Schelde, de werf waar grote schepen werden gebouwd. Schepen die in de verzameling van tabakplaatjes van mijn vader waren te zien. Echte oceaanstomers en oorlogsschepen. Dat werd daar in Vlissingen allemaal gemaakt en ik wist later ook door wie. Door de mannen die altijd met die vroege boten meegingen, die noeste werkers…

Vlissingen. Als onderwijzer in wording mocht ik geruime tijd verpozen in Paauwenburg, de Bijlmer van Zeeland, een ruim opgezette wijk met laag-en hoogbouw die alleen in Vlissingen aangelegd had kunnen worden. Mooi was het allemaal niet, maar wel grotere en ruimer dan die jaren ’60 Vlaco-wijkjes die overal in Zeeuws-Vlaanderen uit de grond werden gestampt. Nee, Vlissingen was en bleef de enige echte Zeeuwse stad.

En weer wat later, als aankomend journalist vond ik het altijd prachtig om op maandagochtend met mijn chef de redactievergaderingen in het oude PZC-kantoor in de Walstraat bij te wonen. Want Vlissingen had een krant, de PZC hoorde bij Vlissingen, toen nog wel. Na afloop van de beraadslagingen doken we de café’s soms in waar we wethouders als Wisse en Bruinooge troffen, die altijd wel wat te vertellen hadden.
Mannenbroeders waren het, van die rooie (rose) die hoorden bij het rode Vlissingen, de werkstad.
Van het volk, voor het volk en tussen het volk was het credo van wijlen heren.
Althans, dat werd gezegd.

Vlissingen liep voorop, op planologische gebied, op het vlak van de werkgelegenheid en even ook op bestuurlijk gebied. De stad kreeg als eerste en enige in Zeeland op een gegeven moment een volledig vrouwelijk bestuur. Uniek, in alle opzichten, maar dat duurde echter niet lang.

Sinds het heenzenden van de dames bestuurders is Vlissingen – wat mij betreft – alleen nog negatief in het nieuws geweest (het filmfestival is de enige uitzondering). De stad van weleer is bestuurlijk verworden tot een dorp met partijen die daar bijhoren. Vraag me niet naar de oorzaken, ik zou ze niet kunnen duiden. Vlissingen is ook afgegleden tot de bedelstaf. De gemeente heeft alleen schuld en niets te makken, economisch draait het allemaal zo zo en de grootstad van weleer verloedert, langzaam maar zeker.
Zo langzamerhand moet ik ook het beeld van Vlissingen dat ik altijd had – een krachtige, vitale en humorvolle gemeenschap – wat gaan bijstellen. Ik doe dat niet graag, want dan sleutel ik aan mijn eigen historie, mijn eigen beeldvorming.
Een beeldvorming die ik wil handhaven, maar ja, als je nu nog eens niet bij machte bent om een glijbaan aan de Boule aan te brengen die voldoet aan alle eisen, dan schiet je in mijn ogen ontzettend veel te kort. Op alle fronten…en daar helpt geen Michieltje aan…

Over van Gremberghe

Journalist en internetondernemer. Verslaggever in algemene dienst. Schrijft over Zeeland, Neder- en buitenland. Over wat wel en niet gebeurt, over reizen en soms over gewone mensen. Immer gedreven en oprecht, voor zover daar sprake van kan zijn.
Dit bericht is geplaatst in DAAR : Zeeuwse zaken, HIER ; Zeeuws-Vlaamse zaken met de tags , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

3 Responses to Mijn Vlissingen…

  1. John de Jonge schreef:

    Dag Conny,

    dank voor je aandacht en genegenheid voor ook míjn Vlissingen. Je beschrijft met weemoed een bijzondere periode in de ontwikkeling van Vlissingen, een periode waar niet in de laatste plaats ook de journalistiek zelf een andere rol speelde. Over de glijbanen waar ik in mijn jeugd mijn broek heb gescheurd, heb jij vast niet geschreven.

    In het slot van je beschouwing bewijs je dat je aan je verblijf in onze stad een echte Vlissingse gewoonte hebt overgehouden. Je kijkt namelijk naar de wereld door een bril met halflege glazen. Als je nog een in de buurt bent, dan wil ik je je brillenglazen met alle plezier bijvullen en bijkleuren

    • van Gremberghe schreef:

      Beste John, dank voor je reactie.
      Over glazen gesproken, de mijne zijn multifocaal. Om te lezen en te kijken.
      Ik kan echter – met alle goede wil van de wereld – niet alles zien en doorgronden. Wat achter gesloten deuren gebeurt,achter de schermen om het zo maar eens te zeggen, ontgaat me dan ook wel eens.
      Op je uitnodiging ga ik binnenkort graag in…

  2. Peter Urbanus schreef:

    Mijn geboortestad, waar ik opgroeide, viste, bij de padvinders zat, naar de Piek ging en graag naar de kroeg ging. Toch belande ik op de Bevelanden, tot afgrijzen van vroegere Vlissingse kennissen. ‘Wat moet je daar nou?’

    Vlissingen is gewoon altijd in verval, zonder dat het werkelijk achteruit gaat.

Reacties zijn gesloten.